Neoliberalisme, wetenschappelijke merites?

Neoliberalisme kent theoretisch een veelvoud van exponenten zoals Hayek, Friedman en aanvankelijk Greenspan. Neoliberalisme claimt wetenschappelijke merites te hebben.

De vraag is echter, ‘Kan het Neoliberalisme haar wetenschappelijke grondslag waarmaken? John Gray stelt dat dit uiteindelijk niet lukt. Sterker nog, hij stelt dat het vrij opvallend is, hoe zeer het Neoliberalisme deze pretentie niet waarmaakt. Waar het in het Neoliberalisme om gaat is, dat er dient meer te worden uitgegaan van vrije marktwerking. En voor vrije marktwerking hoeft er niet van bovenaf gestuurd te worden door de staat. Sterker nog, markten dienen juist meer ruimte te krijgen. De dragers van het Neoliberale initiatief zijn uiteraard de liberale partijen, maar bovendien ook de sociaal-democratische evenknieën in de parlementen. Kortom, de ideologie van het Neoliberalisme is erg dominant. En dat is bevreemdend, waarom?

Controle, toezicht en preventiebeleid in de semi-publieke sector

De laatste jaren (vanaf ongeveer 2007) is de staat op veel beleidsterreinen actiever dan ooit in het controleren van, en toezicht houden op het gedrag van de burger. De burger wordt op een nieuwe manier onderdaan. En in die controle ontstaan – wat Paul frissen noemt in Ankersmit en Klinkers’s Tien plagen van de staat (2008)- moderne panoptica. Panoptica zijn beleidsgevangenissen die dankzij informatie- en communicatietechnologie veel van ons willen weten, voor ons eigen bestwil om van ons fatsoenlijke burgers te maken. De verzorgingsstaat wordt op deze manier gerevitaliseerd met haar onvermoeide streven naar zogenoemde rechtvaardige gelijkheid.

Het klinkt gek maar dit is mijns inziens een ongewenste ontwikkeling, omdat het om een normatieve gelijkheid gaat die wordt ingesteld door de staat. Daarmee treedt de staat in de vrijheid van haar burgers. De ethische term rechtvaardige gelijkheid voorondersteld vrijheid en precies die vrijheid wordt ingeperkt. Veel van de preventieve activiteiten van de staat zijn gericht op de creatie van gelijke burgers. De moderne staat is een moraliserende staat. En achter de panoptica gaat een beeld schuil van de goede samenleving.

Maar wat is een goede samenleving? Wanneer is een samenleving goed voor mij? Wie bepaalt of iets goed is? Doe ik dat zelf, doet de staat dat voor mij op grond van allerlei wetenschappelijk inzichten? Ben ik bereid daarin mee te gaan, mag ik afwijken van wat de staat goed vindt?